"Natuurherstel" Westerschelde,

waan en mogelijkheden

Nog steeds worden we geconfronteerd met een onjuiste voorstelling van zaken over natuurherstel van de Westerschelde, ook door de overheid. Deze gaat eenzijdig uit van de biologie als zijnde de natuur (top down).
Er wordt daarbij een historisch volstrekt onjuist beeld opgevoerd, dat er duizenden hectares aan de Westerschelde onttrokken zijn (zie 3). Die bewering wordt gebruikt om het slopen van poldergronden te rechtvaardigen voor natuurcompensatie, later misplaatst natuurherstel genoemd.
Daarbij wordt volledig voorbij gegaan aan de natuurkrachten, die bepalend zijn voor de biologie en de werkelijke ingrepen door de mens (zie 1). Het is zinnig om nader achtergrondinformatie te geven, die deze Westerscheldeproblematiek bepaalt.

De ellende begint met de omstreden natuurparaaf in het Scheldeverdrag van 2005. Het was als minor punt opgenomen. Men had de explosiviteit ervan niet onderkend.

1. De natuur van de Westerschelde.
De natuur bestaat allereerst uit een abiotisch deel (de fysische natuur) en een biotisch deel (de biologie, de levende natuur). De biologie speelt in op de mogelijkheden, die de fysische natuur biedt (bottom up).

Het gedrag van de Westerschelde wordt bepaald door de natuurkrachten, voor 99% geregeerd door de Noordzee (mariene natuur). De afvoer van de Schelde is hieraan volstrekt ondergeschikt en de mens helemaal, maar die wenst dat liever niet te beseffen. Als het om de natuur van de Westerschelde gaat, gaat het er om zo lang mogelijk zorg te dragen voor een evenwichtige balans van natuurlijke ontwikkeling van de fysische natuur. Daar reageert de biologie op met haar eigen agenda. Daar passen geen ingrepen van o.a. biologen en landschapsarchitecten bij.

Allereerst is er dus kennis nodig van de historische ontwikkeling en het fysisch gedrag van de Westerschelde, zoals de ontwikkeling van de getijbeweging, stormvloeden, de complexe morfologische bodembeweging in de verschillende schakels van hoofd- en nevengeulen (zoals het periodiek wandelen van nevengeulen), de verzilting en de sterke variaties in zoutgehalten in het oostelijk deel alsmede de natuurlijke historische bedijking om door het oprukken van de invloed van de zee bestaande hoge gronden te beschermen. Er is een historie van steeds meer verspelen van land dan terugwinnen.

Dampierre kaart uit de 16e eeuw, die op basis van overgeleverde gegevens de situatie van het jaar 1274 weergeeft. Rijksarchief Gent.

Als het dan gaat om het zo goed mogelijk intact houden van het fysische gedrag van de Westerschelde in het huidige tijdsgewricht, dan moeten we kennis hebben van de negatieve effecten van de ingrepen die de mens doet middels verdiepingsronden en zandwinning. (Er is immers geen verlies aan oppervlakte estuariene natuur, maar een verschuiving van ondiepere naar diepere estuariene natuur.) Een analyse van de fysische gevolgen leidt tot mogelijke maatregelen in de Westerschelde om die gevolgen deels te redresseren en mogelijkheden tot compensatie in lijn met de verschoven natuur.
Die maatregelen en mogelijkheden zijn er; zie 5. Rond de zandwinning lijkt een kentering in gang gezet. De andere zaken zijn nog niet echt bespreekbaar, omdat deze ingaan tegen de eigen belangen van de natuurorganisaties (het maken van nieuwe zee van polders draagt niet bij aan en verbetering van de balans, integendeel. Het getuigt ook niet van respect voor de door de natuur gevormde hoge gronden boven NAP) en die van de haven op korte termijn, m.n. de extra baggerkosten.

Tengevolge van het handhaven van de scheepvaart geul, verliest de Westerschelde continu slib en zand aan de Zeeschelde en verdiept.
(N.B. Het evenwichtsprofiel van Westerschelde en Zeeschelde wordt landinwaarts kleiner en daarmee de verstoring van het profiel door de scheepvaartgeul groter.) Duidelijk is dat het getijdenwater Westerschelde een heuse zeearm is.
Van polders zee maken is dus extra ruimte voor de zee en trekt extra getijvolume aan, terwijl de natuur van de Westerschelde door onze ingrepen verder achteruit blijft gaan. De fysische omstandigheden veranderen over de lengte van deze zeearm en daarmee eveneens de biodiversiteit in haar verscheidenheid. Verdieping van de scheepvaartgeul betekent tevens een versnelling van de getijgolf, een verschuiving en toename van de opslingering landinwaarts en toename van de zoutindringing.

De situatie van Oost Zeeuws Vlaanderen in 1575. Kaart in opdracht van Philips II.

2. Waarom het lijkt te draaien om de Hedwigepolder en niet om de natuur van de Westerschelde.
N.B. De Hedwigepolder ligt op N.A.P.+2m. Deze wordt niet geïnundeerd maar gesloopt. Er wordt een groot sluftercomplex ingegraven tot 4 meter diep.

Een inundatie had een omkeerbare bestemming betekend en zou in lijn zijn geweest met de afspraken, waartoe Nederland zich t.o.v. de FAO had verplicht: geen onomkeerbare bestemming van goede landbouwgronden. Daar is aan voorbij gegaan. Het plan leidt tot verzilting en verdere opslibbing van dit kombergingsgebied. Het graven van het sluftercomplex is onzinnig en zal sterk opslibben en vervormen. De verwachtte opslibbing van de slufter is na vijf jaar 1 meter. De haven is heel blij met deze slibvang, die zij zo door Nederland ondoordacht in de schoot geworpen kreeg. Beheer en onderhoud is voor de Nederlandse belastingbetaler, de uitgegraven klei voor Vlaanderen. Deze extra komberging heeft nauwelijks effect (2 cm) op verlaging van het hoogwater in relatie tot een tijverschil van bijna zes meter bij springtij en meters stormvloed effect.

Het verwerven van de Hedwigepolder is een oude wens van Het Zeeuwse Landschap. De eigenaar wenste dit familiebezit echter niet te verkopen.
Na uitvoering van de 2e verdiepingsronde begonnen de gesprekken over de derde. Thijs Kramer, coryfee van de Zeeuwse Milieu Federatie en Zeeuws gedeputeerde van de PvdA, bepleitte terecht natuurcompensatie voor de tweede verdiepingsronde. Er werd op verzoek van Nederland een natuurparagraaf opgenomen in het Scheldeverdrag. Die compensatie werd gesteld op 600 ha. Uit monitoring is gebleken dat die ruim voldoende is.
Echter men had oneigenlijk tevens als onderdeel daarvan de Hedwigepolder benoemd. Dit onderdeel was wel geclausuleerd, dat als Nederland en Vlaanderen samen vonden dat er een gelijkwaardig dan wel beter alternatief zou zijn, de Hedwigepolder als natuurcompensatie daardoor zou worden vervangen.

Het benoemen van de Hedwigepolder was een bewuste actie van de natuurambtenaren t.b.v. het Zeeuwse Landschap, die wisten dat de bevolking en het parlement geen ontpoldering wensten, maar gokten dat men het te laat in de gaten kreeg. Zo geschiedde. Toen het verdrag ter ratificatie bij de Tweede Kamer lag, bleek de overgrote meerderheid tegen ontpoldering en voor schrappen van dit onderdeel. Uiteindelijk ging men onder grote druk akkoord omdat al te lang getalmd was met ratificatie, vanwege de hoofdzaak van het verdrag.

In de Eerste kamer bleek op een enkeling na iedereen tegen. Bovendien bleek dat de minister inmiddels een beter alternatief (het schorrenplan van het waterschap) gekregen had en met de minister president van Vlaanderen besproken en groen licht had gekregen. De oplossing was gevonden.
Het verdrag kon worden geratificeerd en er werd een commissie ingesteld om tot het beste alternatief in de Westerschelde te komen (geen ontpoldering).

Door de natuurambtenaren werd Nijpels voorgedragen als voorzitter en Arcadis, dat al de natuur(beleids)rapporten voor de Westerschelde had mogen schrijven, werd scribent. Gevolg, de commissie wenste niet te voldoen aan de opdracht van de minister en schreef een ander belangen rapport. Een en ander gebaseerd op een onbekend studierapport NOPSE (natuurontwikkelingsprogramma Schelde estuarium). Dit rapport had een onwetenschappelijk uitgangspunt, namelijk dat de polders met grond binnen twee kilometer van de oevers van de Westerschelde tot het Schelde estuarium behoorde (eigenlijk heel Zeeland, maar dat vond men te veel van het goede).

De commissie Nijpels bracht zo een geheel eigen dimensie in, los van het verdrag. De commissie richtte zich geheel op het land en keek weg van de blijvende achteruitgang van de Westerschelde. Het eigenbelang van de natuurorganisaties en toeleverende bedrijven om grond in eigendom te krijgen en nieuwe natuur te maken, gefinancierd uit de algemene middelen, kwam zo centraal te staan. Alle alternatieven in de Westerschelde werden eenzijdig weggeschreven.

De minister accepteerde het rapport niet. De commissie zorgde voor een machtstrijd tussen regering en natuurbeweging. De natuurbeweging gedroeg zich als een staat in een staat. De natuurbeweging won de machtstrijd door toedoen van D’66, Groen Links en de PvdD, waar de PvdA zich later bij aansloot en heeft zeer langdurige consequenties. De natuurbeweging heeft geen boodschap aan de bevolking en aan de biodiversiteit, die samenhangt met het natuurlijke land en zoet water. De locale bevolking wordt verdreven en geraakt in haar bestaan. De landbouw is hier economisch belangrijk.

Foto: Cor Huijgens

De haven was zich naast haar eigen belang zeer bewust van de eigenbelangen van de natuurbeweging en maakt daar optimaal gebruik van.
De natuurbeweging kreeg een zetel in het bestuur van de haven en men steunde politiek en financieel plannen van de natuurorganisaties om van land “zee” te maken en tijdelijke natuur van gronden, die zij op termijn voor havenuitbreiding nodig kunnen hebben. (zie o.a. Dit is mijn Hof van Chris de Stoop). Doel: de doelstellingen van de haven in de Westerschelde moeten niet belemmerd worden; laat de natuurorganisaties op gronden langs de oevers hun gang gaan. Als de haven niet naar de zee kan, dan moet de zee maar meer naar de haven komen! Dat de natuur van de Westerschelde gewoon verder achteruit gaat, deert noch de haven noch de natuurbeweging. De haven speelde met zijn politieke macht een belangrijke rol in de machtstrijd tussen onze regering en de natuurbeweging door de natuurbeweging te steunen. Het dreigde Nederland o.a. met een hoge rekening als de natuurorganisaties via de rechter de 3e verdieping zouden laten opschorten. (Eigenlijk een loze dreiging, omdat de derde verdieping inmiddels nagenoeg uitgevoerd was.) Het maakte gebruik van de komst van de nieuwe minister president van België, die een Waal was. Men omzeilde de minister president van Vlaanderen en de nieuwe (Waalse) premier wilde zich best inzetten voor de wensen van de haven en dus het plan voor de Hedwigepolder.

In het rijksinpassingsplan (r.i.p.) Hedwigepolder staat de uitgangsstelling, dat het unieke meergeulenstelsel van de Westerschelde aan het verdwijnen was en dat de Westerschelde verwordt tot een kanaal met steile wanden. Het plan Hedwigepolder zou het meergeulenstelsel stimuleren. De bewering over het meergeulenstelsel is klinkklare onzin. Het is al lang bekend dat juist de historische dijkenligging bepalend is voor het in stand houden van dit stelsel. Men dient juist zuinig te zijn op de natuurlijke dijkenligging.

Het plan Hedwigepolder heeft alleen locaal effect en aldaar is geen meergeulenstelsel. Uiteraard is dit in zienswijzen aangekaart, maar niet opgepakt en een gang naar de Raad van State was onmogelijk door de nieuwe juridische figuur van een r.i.p.(Rijks Inpassings Plan). Met het plan Hedwigepolder wordt het Verdronken Land van Saeftinghe met 10% vergroot. Dit is niet van die orde dat het van boven nationaal belang is, de enige wettige reden voor een r.i.p.-procedure.

In de Hedwigepolder bevindt zich een beschermd natuurgebied. Dit echte stuk natuurlijke historie zal moeten wijken voor het bedachte grote sluftercomplex, dat gegraven wordt. Tevens zullen 6000 bomen sneuvelen.

3. Het verlies aan land aan de Westerschelde door toename invloed Noordzee.
In tegenstelling tot de bewering dat in de afgelopen eeuwen zoveel oppervlakte van de Westerschelde is ingedijkt (historisch selectief winkelen), is er juist een groot verlies opgetreden. Zo’n bewering vinden we terug in het rapport Natuurdoelenprofiel Westerschelde t.b.v. Natura 2000 in 2008 in opdracht van het ministerie geschreven door Arcadis. Er wordt gesteld dat de oppervlakte van de Westerschelde in 1600 2x zo groot was als nu, en in 1800 1,5x zo groot.
Dit is zeer suggestief en uit haar context gehaald. Enerzijds suggestief omdat het Natura 2000 gaat om behoud van de situatie op het moment van aanmelden als natuurgebied van Europees belang. Ingrepen uit het verleden staan daar terecht buiten, omdat men anders de gehele situatie van vroeger zou moeten terugbrengen. Volslagen onmogelijk. Anderzijds omdat de keuze gemaakt wordt voor het moment dat Zeeuws-Vlaanderen voor 75% om militaire redenen geïnundeerd was en de veroorzaakte komberging geen Westerschelde is.

In 1575 waren alle dijken van Zeeuws-Vlaanderen langs de Westerschelde op orde. De oppervlakte van de Westerschelde was toen duidelijk veel minder dan nu.


De oostelijke inundaties tijdens het Beleg van Antwerpen 1584-1585 (links Brabant rechts Vlaanderen)

In de wetenschap dat nagenoeg alle platen in de Westerschelde verloren bewoond oud land is, is elke bewering over duizenden onttrokken hectares aan de Westerschelde al zinloos. Maar laten we toch kort kijken naar een enige effecten van de militaire inundaties in 1582/1583 op de Westerschelde. (N.B. Als Arcadis vindt dat die geïnundeerde oppervlakte Westerschelde is, moet toch de conclusie zijn dat de mens zoveel oppervlakte aan de Westerschelde heeft gegeven.)

Het westelijke en oostelijke deel van Zeeuws-Vlaanderen werden los van elkaar onder water gezet. De inundatie van het oostelijk deel, waar de Westerschelde het smalst en ondiepst was, had de meeste impact. Daar werd aan de noordzijde van het Land van Saeftinghe in de Brugsche Polder t.o.v. de Polder van Namen een bres geslagen. Het gat verdiepte zich in een half jaar tot 16 meter diep. Men had de inundatie niet in de hand en het water kwam tot Verrebroek voor Beveren. Doordat dit gebied sterk bemoerd was verloor het in eerste instantie naast veen veel fijn zand aan de Westerschelde en kostte het eeuwen voor het land weer voldoende opslibte om het weer successievelijk te bedijken.

Reconstructie van de situatie van 1599 van Oost Zeeuws Vlaanderen na het Beleg van Antwerpen (1584-1585) door K. Brand (1979).

De laatste bedijkingen waren die van de Hedwigepolder en de Emmapolder in 1907. Oorspronkelijk wilde men ook het resterende gedeelte Het Verdronken Land van Saeftinghe nog bedijken, maar daar is het niet meer van gekomen. (Een deel van dit zgn. Verdronken Land is in Zeeland nu het hoogst gelegen.) Men kan dus stellen dat die 3000 ha van het Verdronken Land als kombergings gebied door de mens voor de Westerschelde is geschonken.

Die enorme oppervlakte aan militaire inundaties had ook grote consequenties voor de Westerschelde. De Noordzee moest heel veel extra getijvolume leveren om het geïnundeerde gebied te vullen en te ledigen. De stroomsnelheden op de Westerschelde namen sterk toe. Met name in het oostelijk deel. Het gevolg was een sterke uitschuring (erosie) van de Westerschelde. Het betekende tevens dat diverse niet geïnundeerde polders met eenvoudige dijken door die sterke stroming verloren gingen, namelijk de polders aan de noordzijde van Ossenisse, nu de platen van Ossenisse, de Valkenissepolder, nu de plaat van Valkenisse en de Polder van Namen nog in 1715, nu deel van Het Verdronken Land.

Al vanaf het Twaalfjarig Bestand begon het eerste herstel in het westelijk deel van Zeeuws-Vlaanderen. Vanaf dat moment nam het getijvolume van de Westerschelde weer af. Het geërodeerde profiel werd te ruim en er kwam een langzaam herstel voor een bodemevenwicht op gang door zandtransport vanuit zee. Er is berekend dat dit in de periode van 1875 tot 1950 zo’n 100 miljoen m3 bedroeg. De Westerschelde was dus nog te ruim op het moment dat de scheepvaartbelangen de boventoon gingen voeren.

Zandwinning deed haar intrede. Er werd o.a. besloten om 50 miljoen m3 extra te winnen in het Nauw van Bath, de regio met de meeste ondiepe estuariene/mariene natuur. Er is inmiddels aanmerkelijk meer dan 100 miljoen m3 zand gewonnen. Sinds kort mag alleen nog zgn. budgettair neutraal gewonnen worden. Men blijft in het gevoelige gebied van het Nauw van Bath zand winnen, om dat met zeezand te compenseren in de eerste schakel ten oosten van Vlissingen, dat weer aan de Noordzee verloren raakt. Ogenschijnlijk neutraal maar niet heus, maar wel een stapje vooruit.

In de vorige eeuw is de Braakman in 1952 om veiligheidsredenen afgedamd. Is overigens geen Westerschelde, maar dempte het getijvolume ten westen een beetje. Het is nu een beschermd natuurgebied, waarin ook al ontpolderingen hebben plaatsgevonden.

Rond 1970 werd in het Sloe hoog land bedijkt, deels voor de haven van Vlissingen en deels natuurgebied. In diezelfde tijd werd onder de Brabantse Wal annex Vlaanderen een deel van de Westerschelde/Zeeschelde afgedamd ten behoeve van het Schelde-Rijnkanaal en uitbreiding van het havenarsenaal van Antwerpen.

In de negentiger jaren werd de Selenapolder van 100 ha. ten noorden van de Hedwigepolder ontpolderd en heet nu Sieperdaschor.

De ingrepen vallen buiten het kader van Natura 2000, evenals de 1e verdiepingsronde in 1970. In feite ook de 2e verdiepingsronde, maar daarvoor is de 600 ha natuurcompensatie afgesproken. De 3e verdiepingsronde is van 2006 en zou “geen effect” hebben.

4. De overige ontpolderingen als natuurcompensatie.
De 300 ha. van de Hedwigepolder vallen onder regie van het Rijk, de andere 300 ha (Oud-Breskenspolder, genaamd Waterdunen, en Perkpolder) onder regie van de provincie. Eufemistisch natuurherstel Westerschelde genoemd . (N.B. Al deze polders zijn boven de zeespiegel gelegen. Een eigenschap van deze hooggelegen polders is, dat deze zoet water bufferen in hun bodem en zo een buffer vormen tegen verzilting vanuit de Westerschelde landinwaarts. Het afgraven van deze polders zorgt voor verdringing van de zoetwaterbuffer door het zoute water van de Westerschelde.)

Waterdunen De Oud-Breskenspolder(ruim 300 ha.) lag op 1 à 1,5m +N.A.P. Het plan voorziet voor een stukje ook in uitbreiding van recreatiewoningen. De polder is inmiddels vergraven met geulen tot 9 meter diep met een sluis, die gedempt getij in dit gebied regelt. In feite een badkuipzee aan het infuus van de Westerschelde. Het zoutgehalte dat ingelaten wordt is 18.000 mg Cl’/l. Op 15 meter diepte was het zoutgehalte nog 10.000 mg Cl’/l (half zee, half regenwater). Een duidelijke aantasting van de levensomstandigheden en mogelijkheden van de mens. De mens moet wijken voor de belofte, dat dit de grootste Europese luchthaven voor trekvogels wordt. De situatie van de natuur van de Westerschelde verbetert er echter niet door. Het project is inmiddels financieel uit de hand gelopen.

Plan Perkpolder
Dit plan houdt enerzijds een economische facelift in voor de gemeente Hulst, waar geen schot in zit en 75 ha natuurcompensatie in de vorm van nieuwe zee. Dit laatste is in juni 2015 gerealiseerd. Daar had de provincie direct geld voor. De natuurcompensatie hier is op de meest onlogische plaats gerealiseerd. Het beslaat delen van drie zeldzame 12e-eeuwse polders, ouder dan de Westerschelde, en in een binnenbocht gelegen (Natuurherstel Westerschelde?).

Daar voor ligt ondiepe estuariene natuur van de plaat van Ossenisse. Er is een bres gegraven van 400 meter breed, alsmede een slufter tot vier meter diep. De opslibsnelheid bedroeg in het eerste half jaar 2,5 cm/week. Dit gaat ten koste van de ervoor liggende ondiepe estuariene natuur en is contraproductief voor de natuur in de Westerschelde. Het zoutgehalte dat daar voor verdringing zorgt bedraagt 10.000 mg Cl’/l.

Bovendien werd men geconfronteerd met de uitgegraven grond, die grotendeels uit veen bestond. Veen dat door de natuur in 3000/4000 jaar gevormd was. Weinig economische waarde. De boeren mochten het uitrijden op hun land en het zal na een paar jaar volledig door oxidatie verdwenen zijn. Complete vernietiging van grond, die onnodig was. Gebrek aan civieltechnische kennis van het fysisch gedrag van een dergelijk plan. Ook zonder afgraving zou het verder opgeslibt zijn, maar veel minder sediment uit de Westerschelde vergen.

Protest tegen ontpolderingen Foto: Red onze Polders

5. Effectieve maatregelen voor natuurherstel en natuurcompensatie

Maatregelen. De Westerschelde verliest aan de Zeeschelde als gevolg van een te ruim profiel door de scheepvaartgeul ca. 1 miljoen m3 slib en zand per jaar, als ook 300.000 m3/jaar aan verdere opslibbing van het Verdronken Land van Saeftinghe. Ook werd tot voor kort 1 à 2 miljoen m3/jaar zand uit de Westerschelde gewonnen. Ook op de Zeeschelde wordt zand gewonnen. Anderzijds doet de Noordzee wat aan natuurherstel, door een input van ca. 1 miljoen m3 slib/jaar aan de zuidzijde, maar met een verlies van ca. 300.000 m3 zand aan de noordzijde. Een precaire situatie, omdat juist het zand zorgt voor de morfologische stabiliteit.
Om te komen tot een stand still situatie in een verdere achteruitgang van de natuur van de Westerschelde is inmiddels een eerste stapje gezet voor een volledig verbod op zandwinning (eerste maatregel), namelijk budgettair neutraal baggeren. De Westerschelde is er bij gebaat dat een morfologisch evenwichtige en natuurlijke ontwikkeling gewaarborgd wordt in alle schakels (cellen) van hoofd- en nevengeulen in de Westerschelde. De volgende stap is het budgettair neutraal baggeren en het niet winnen per schakel. De haven zit zeer in zijn maag met al het slib dat de Zeeschelde opkomt. Het moet mogelijk zijn om met de haven tot afspraken te komen, dat het verlies aan slib (mits voldaan wordt aan kwaliteitseisen) en zand strategisch terug gestort wordt in de Westerschelde.

Natuurcompensatie. Om aanvullend op de stand still situatie te komen tot een bijdrage aan herstel, moet gedacht worden aan uitbreiding van schorren en platen die in lijn ligt met de situatie van vóór de 2e verdiepingsronde. Er zijn meer dan voldoende mogelijkheden tot uitbreiding van oppervlakte aan schorren in de Westerschelde. Het waterschap heeft die mogelijkheden in kaart gebracht. Plaatuitbreiding is mogelijk door het strategisch aanbrengen van zandmotors op platen in de verschillende schakels (voorstel Lases aan commissie Nijpels). Beide mogelijkheden werden door de commissie weggeschreven, zijnde kriboplossingen. Merkwaardig want aan een zandmotor komt juist geen krib te pas. Overigens is het plan Hedwigepolder ook een soort kriboplossing. Voorts was er nog het plan van de stichting De Levende Delta, dat een verjonging van het Verdronken Land van Saeftinghe behelst. Het Verdronken Land ligt hoog. Door een vervuilde onderlaag weg te zuigen zou de randstrook lager komen te liggen en gewenst schor vormen.

Wel betekent het meer baggerkosten voor de haven. Maar ja, de verstoorder hoort te betalen.

Westerscheldemonding met ten westen van Walcheren de Vlakte van de Raan

Tot slot.

Als de belangengroepen hun ogen blijven sluiten voor de realiteit en het belang van de natuur van de Westerschelde niet voorop stellen, dan komt een (stormvloed)kering in de monding van de Westerschelde steeds sneller dichterbij. Zolang er hierbij vrije vaart via sluizen mogelijk blijft, is dit niet in strijd met het verdrag van 1848. Het verdrag houdt bepaald niet in dat Nederland facilitair voor de haven van Antwerpen moet zijn. Het verdrag regelt dat Nederland geen maatregelen mag nemen die de scheepvaartweg van toen verslechteren.

De haven mag dus in zijn handjes knijpen met alles wat Nederland al gefaciliteerd heeft. Afhandeling van diepstekende schepen kan op de Vlakte van de Raan aan de zeezijde van de kering. De haven van Antwerpen moet daartoe mogelijkheden krijgen. Er is een praktisch einde aan verdere verdiepingsronden. Antwerpen ligt nu eenmaal fysisch verkeerd. Daarnaast is waakzaamheid geboden voor contraproductieve wensen van landschapsarchitecten (ruimtelijke ordening) en biologen nu zij bepalend zijn voor het waterbeleid. Men moet in gedachten houden dat zoetwaternatuur aanmerkelijk zeldzamer is dan zoutwaternatuur en dat land en zoet water van levensbelang zijn voor de mens en voor zo vele andere soorten.


Ir. W.(Wil) B.P.M. Lases Tiel, 10 september 2017.