De Zuidwestelijke Delta op de

middellange termijn


De lage delen van Nederland dalen soms wel tweemaal zo snel dan de zeespiegel stijgt. Steeds meer water dient uitgemalen te worden en tegen 2150 is lozing van rivierwater in zee onder vrij verval vrijwel nergens meer mogelijk.
De Adviesgroep Borm & Huijgens heeft hierover de afgelopen jaren overleg gehad met onder meer ing. R. van den Haak (Haakse Zeedijk en drijvende golfdempers), ir. W. Lases (Westerscheldeproblematiek en verzilting), ir. F. Spaargaren (Plan Sluizen), dr. ir. G. E. Kamerling (Plan Beaufort) en Ger de Jonge (voorzitter Algemene Waterschapspartij).
Zij hopen dat een team van deskundigen spoedig aan de slag gaat, om samenhangend de waterproblemen voor de lange termijn op lossen. Voor de tussenliggende periode doet de adviesgroep hier een inrichtingssuggestie voor de Zuidwestelijke Delta.

Voorbereid op de toekomst
De afbeelding die een toekomstbeeld 2050 toont wordt hier nader toegelicht:
Waar mogelijk wordt bestaande infrastructuur ingezet. De Brouwersdam blijft gehandhaafd en de Haringvlietsluizen functioneren als regelkraan. De Maeslantkering heeft een te grote faalkans, veroorzaakt uiteindelijk meer stagnatie dan sluizen en is dan ook niet blijvend.
Met een Westerscheldedam is het dichtbevolkte Scheldebekken eindelijk duurzaam beschermd tegen overstromingen en zeesluizen in de Nieuwe Waterweg maken de ‘dijkring’ om het ‘Waterschap Nederland’ compleet.
Een gesloten kustlijn maakt een einde aan de eroderende eb en vloed stromingen van en naar de zeegaten, zodat de vorming van de Voordelta op het kustfundament verder gaat.
Drijvende golfdempers dragen bij aan blijvende bescherming door natuurlijke kustaanwas en aan het tegengaan van erosie.
De kostbare en tegennatuurlijke zandsuppleties voor de kust, die erosie als motor gebruiken, worden hierdoor overbodig.

Dit alles vergroot de waterveiligheid, maakt de waterhuishouding beheersbaar en stopt het immense zoetwaterverlies.
Een herziene zoetwaterverdeling dringt vervolgens de verzilting terug en garandeert de zoetwatervoorziening. Doorstroming met rivierwater verbetert de algehele waterkwaliteit.

Wereldhavens veiliggesteld
De havens van Rotterdam en Antwerpen worden toekomstbestendig door afsluiting van de open verbindingen met zee en de aanleg van containertransferia. De voortgaande verplaatsing van de activiteiten naar westelijke havens met grote diepgang verbetert de concurrentiepositie.
Met een westelijk gelegen locatie van de zeesluizen voor de Nieuwe Waterweg neemt het aantal schuttingen voor de zeevaart met een derde toe en het tienmaal zo grote aantal van de binnenvaart neemt met driekwart af ten opzichte van de eerdere optie bij de splitsing van Oude en Nieuwe Maas. De accentverlegging naar de zeezijde maakt deze keuze nog gunstiger.
De eerste en tweede Petroleumhaven, de Botlek en Vlaardingen worden op deze wijze niet langer blootgesteld aan stormstanden via een open Nieuwe Waterweg.
Een tweede noord-zuidverbinding over de Westerscheldedam verbetert het wegvervoer van en naar Rotterdam en ontlast de ring om Antwerpen.

Toekomstbeeld 2050-2150
De illustratie geeft weer hoe er aan vismigratie en ecologie gestalte gegeven kan worden in combinatie met klimaatbestendigheid.
Zolang de wateroppervlakten achter de kustlijn, die open verbinding met zee staan, buitenproportioneel zijn, blijft een estuarium een utopie en vormen migratierivieren de ecologische verbindingen.
Een estuarium is op termijn alleen mogelijk met het beperken van het hiervoor in te zetten wateroppervlak. Het resterende deel van de voormalige zeegaten mag hierbij verzoeten
.


Rivierwaterveiligheid
Bij hoge rivierafvoeren gaat het merendeel van het rivierwater rechtstreeks naar de Zuidwestelijke Delta. Als het mogelijk is wordt er direct gespuid via de Haringvlietsluizen.
De Rijnmond heeft geen waterbergend vermogen en wordt zo mogelijk aan de rivierzijde afsluitbaar gemaakt (T. Rijcken, 2008).
De huidige nationale noodberging Volkerak-Zoommeer kan maar zo’n 200 miljoen m³ water bergen en is al vol na zo’n 7 uur. Met een stormopzet van 35 tot 42 uur is een maximale berging van zoet rivierwater in alle voormalige zeegaten dan ook geen overbodige luxe.
In de Grevelingen en Westerschelde wordt zout geleidelijk en definitief vervangen door zoet. Bij noodsituaties worden de pompen in de Nieuwe Waterweg ingezet.

Tot zover ons voorstel. Het nationale waterbeleid zal het vervolg van de gang van zaken bepalen.

Vervolg
Waterbeleid dient zich primair te richten op veiligheid, zoetwatervoorziening en kosten- en batenanalyses. Een masterplan, waarin verschillende opties met de daaraan verbonden consequenties worden bekeken, kan leiden tot een definitieve systeemkeuze voor de lange termijn. Dan pas kan in samenhang aangegeven worden in hoeverre het rivierwater mag stijgen, hoe de noodberging stapsgewijs vergroot wordt, waar nog verval gecreëerd kan worden en op welke locaties gemalen gewenst zijn.
Hierbij wordt alles afgestemd op een langetermijnvisie voor de periode na 2150.
Het is aan de politiek om hierover spoedig een besluit te nemen en aan deskundigen om dit inhoudelijk te onderzoeken en in de komende jaren uit te werken.

Adviesgroep Borm & Huijgens - 2017