Dubbele dijken versus verzoeten

Het WWF initieert het tijdelijk onder water zetten van tussen zeedijken en achterliggende dijken gelegen polders. De term wisselpolder wordt daarbij gebruikt om aan te geven dat er sprake is van lenen van de boer, die er wel zo’n 50 jaar op moet wachten.
Nederland heeft in 2009 bij het FAO congres de resolutie ondertekend en geratificeerd, dat goede landbouwgrond geen onomkeerbare bestemming mag krijgen, maar is dit na een halve eeuw nog gegarandeerd? De ZLTO ziet niets in ontpoldering binnen de Zeeuwse kust, die bovendien landinwaartse verzilting nog verder doet toenemen. Het waterschap Scheldestromen vindt het plan eenzijdig en ziet vooral kansen vóór de dijk.
Het initiatief van WWF roept bij nadere bestudering inderdaad heel wat vragen op. De problemen die zich maatschappelijk en uitvoerend kunnen voordoen worden onderschat en andersom worden de effectiviteit, de duurzaamheid en de bijdragen aan de natuur overschat.
De Adviesgroep Borm & Huijgens geeft aan waarom het niet zo’n goede keuze is gezien de ontstaansgeschiedenis van Zeeland, het behoud van waterveiligheid en leefbaarheid en de verwachte zeespiegelstijging.

Verdronken dorpen in Zeeland - Bron: Wikipedia

Eeuwenlang verdreven binnendringende zeegaten de aanwezige estuaria tot ver landinwaarts. Dit ging gepaard met het verdrinken van honderden dorpen, met verlies van land en verzilting.
Open zeegaten zijn allesbehalve klimaatbestendig. Ze houden eindeloze kilometers zeedijk in onderhoud, met over dezelfde lengtes kans op zwakke plekken.De Zuiderzeewerken en Deltawerken maakten hieraan een einde met kustlijnverkorting. De meeste gaten zijn dan ook gesloten. Alleen de Westerschelde heeft nog geen afsluitende waterkering.

Het doorsteken van dijken brengt veiligheidsrisico's met zich mee en vergroot de verzilting. Water dat zich van het voorland naar een polder beweegt tast het kustfundament van de dijk aan. Opslibbing zal vooral plaatsvinden aan de achterzijde en de flanken van een polder, terwijl bij de in- en uitstroom zich juist een uitschurende werking voltrekt. Eenvoudiger en effectiever kan men, het slib dat neerslaat op ongewenste locaties en toch al wordt opgebaggerd, gericht transporteren naar op te hogen locaties. Er is veel ondiep voorland. Een dijk of drempel op het voorland van een dijk is effectiever voor de waterveiligheid en de zoetwatervoorziening van het achterland en de dijkinfrastructuur blijft behouden.

Zowel het Haringvliet als de Oosterschelde zijn te slibarm om met wisselpolders succes te behalen.
Het enige water met voldoende slib en getijde is de Westerschelde, waar natuurlijk gevormde hoge gronden zoals Hedwige, Perkpolder en Waterdunen recent zijn afgegraven.
De waterveiligheidsproblemen in de Westerschelde worden veroorzaakt door het te grote wateroppervlak en de verdiepingen, waardoor het zeewater in toenemende mate de stad Antwerpen en het Scheldebekken bedreigt. De overstromingskans van het Scheldebekken wordt 1/70 jaar ingeschat (bron. H. Vrijling) en het overstromingsrisico zal bij klimaatverandering en zeespiegelstijging alleen maar toenemen.

Sinds de Deltawerken verhoogde het zoutgehalte van Grevelingen en Oosterschelde, verzilt het grondwater van de Zeeuwse eilanden sterk en wordt doorstroming met rivierwater geblokkeerd.
De beschikbaarheid van zoet water voor mens en natuur is afgenomen.

Aangezien bij zeespiegelstijging de verziltingsdruk nog verder toeneemt, zal het huidige beleid, gericht op behoud van het zoute karakter, spoedig worden ingewisseld voor een beleid van kustbescherming en het meer en langer vasthouden van zoet water.

Het vooruitzicht van een algehele transitie naar een klimaatbestendig land, dwingt tal van sectoren, waaronder de natuurinstanties tot bezinning.

Als adviesgroep met een natuurbeschermingsachtergrond zoeken we naar kansen voor de natuur. Daarbij denken we aan doorstroming, zoet-zout overgangen bij de kust, zeewaartse natuurontwikkeling en permanent open migratierivieren in de Voordelta.
De tijd dringt om te komen tot resultaat- en oplossingsgerichte plannen, die investeren in klimaat, kennis en infrastructuur en bijdragen aan een gezonde circulaire economie. Daarbij zal er goed gekeken moeten worden naar het maatschappelijk draagvlak, naar de periode waarbinnen een aanpassing veiligheid biedt en in hoeverre deze aansluit bij een visie voor de lange termijn.

Cor Huijgens

Adviesgroep Borm & Huijgens – integraal waterbeheer februari 2021